Te voet naar Jeruzalem

Een solotocht van 184 dagen

Sebastien de Fooz

Uitgeverij Lannoo, Tielt, 2006, 256 blz.

 

Ieder mens is interessant en een rijke bron van inspiratie, goed en kwaad, een afspiegeling van Dat wat we niet weten. Of van Die die we niet kennen, en die midden onder ons staat…
Dat gevoel had ik bij het lezen van dit boek. In gedachten ging ik met de auteur mee op pelgrimstocht naar Jeruzalem, 6000 km, in een bijna rechte lijn, met de nodige omwegjes en avonturen. Hij vertrok voorjaar 2005 met 50 euro, zijn pelgrimsstok en zijn rugzak, maar hij wist zich onder Gods vleugels geborgen. In de buurt van Dachau voelde hij zich onweerstaanbaar aangetrokken. Hij raapte er een steentje op dat hij 150 dagen later bij de Klaagmuur neerlegde.

De mensen zijn ongeacht hun verschil in godsdienst, gewoonten en taal overal bijna dezelfde. Maar hij moest dikwijls op de tanden bijten en deze fysisch uitputtende tocht ook in zijn geest en zijn hart laten openbloeien. Daarbij laat je alles achter je, je comfortabele positie, je vooroordelen over andere landen en mensen, je eigen angsten en gepieker. En zo kom je een eindje korter in de buurt van het eeuwige mysterie, een stapje dichter bij elke mens en bij Dat wat we niet weten.

Jan Vanhaelen

 

Sebastien de Fooz: “De densiteit van de dingen die ik zie wordt bepaald door de schakering van het licht. In ons leven is dat ook zo. Elk leven is een wisselwerking van donkerte en licht, van verdriet en vreugde, van wanhoop en hoop. Als de wisselwerking niet meer functioneert lijkt de situatie vaak uitzichtloos. Maar de kans bestaat om uit de beklemming te geraken. Mijn ervaring om als pelgrim van Gent naar Jeruzalem te stappen, alleen door 13 landen, was een tocht tegen meegedragen angsten, tegen vooroordelen, een tocht door de donkerte heen naar licht, naar hoop en leven.
Wat ik zoal beseft heb is dat ver onder de meegesleurde angst die ik maar al te gauw zou laten weerspiegelen op iemand anders, dat ik gedreven werd door een sprankel licht. De tocht naar dat licht werd een loutering.
De bedoeling is nu om ateliers nachtelijke wandelingen op te richten in een bos, waarbij elk individu uitgenodigd wordt om zijn eigen diepe angsten te laten weerspiegelen op het bos dat hij of zij fysisch in de nacht doorkruist en die los te laten. Naargelang ik fysisch door het bos in de nacht trek, kan ik net stellen dat ik fysisch door eigen diepe en verdrongen angsten trek. Naargelang ik door het bos vorder, kan ik die ook loslaten. De bedoeling is om ook hier van donkerte naar licht te stappen, van de dood naar leven. Concreet gezien wordt er ergens midden in de nacht afgesproken op een bepaalde plaats aan de ingang van het bos. Een korte bezinnende tekst leidt ons in de stilte van de nacht. Het betreden van het bos, midden in de nacht is een volle overgave aan wat achter de donkerte schuilt: het vrijmaken van wat ons be-zielt en bijgevolg het loslaten van de angsten die de bezieling bevangt.”