Gedwongen sterilisatie

Eind 1997 werden de media en de overheid wakker geschud door het levensverhaal
van ons Sarah-lid Ingrid Van Butsel en door het boek 'Boontje' dat Jan Vanhaelen,
na vier jaar studie, over haar en over deze problematiek schreef. Ingrid werd gedwongen zich onomkeerbaar te laten steriliseren zonder dat de voorwaarden of de omkadering daartoe aanwezig waren.

Het Raadgevend Comité voor de Bio-ethiek (thans "medische ethiek") antwoordde aan
de toenmalige Minister van Gezondheidsbeleid dat de verplichte sterilisatie van mentaal gehandicapten door een administratieve of algemene regel "nooit toelaatbaar" is en dat een multidisciplinair team advies moet geven aan de arts die zo een gehandicapte wil steriliseren.

Sindsdien werd zowel in de instellingen als bij de overheid werk gemaakt van een betere benadering van deze problematiek. Ook in de verschillende wetsontwerpen en wetsvoor-stellen over de patiëntenrechten is de invloed van ons werk op dit domein duidelijk voel-baar en zou voor het eerst ook rond sterilisatie van wilsonbekwame en rechtsonbekwame personen iets op wettelijk vlak vastgelegd worden.

Op 8 februari 2001 meldden de media dat een rechter uit Turnhout in de zaak van een ongevraagde sterilisatie zwaar uithaalde naar de gynaecoloog die deze ingreep uitvoerde en daarbij een zware schadevergoeding toekende aan de eiser.
De beschuldigde gynaecoloog ging in beroep.

Daarbij werd in de media ook veel aandacht besteed aan onze beweging Sarah , die
nu al bijna negen jaar rond dergelijk dossier werkt en de aanzet gaf tot een mentaliteits-verbetering op dat vlak.

Zoals bij verschillende dossiers die we opvolgden, lieten we het gerecht zijn werk doen. We leggen ons neer bij de gerechtelijke beslissingen.
Maar men dient ook te beseffen dat er nog een heel arsenaal wettelijke niet-justitiële mogelijkheden zijn om misbruiken te bestrijden of aan te klagen, die dikwijls even goed tot resultaat - zij het op langere termijn - leiden als de strikte juridische en justitiële pistes.

Jan Vanhaelen
september 2003

 

Van gebakjes eten krijgen de Vlaamse vrouwen snor en baardgroei!

of: Gerecht voor de rijken

Als Ingrid twee is, overlijdt haar moeder aan tuberculose.

Ingrid wordt geplaatst op 2,5 jaar in een MPI .
Ze wordt er met de beste zorgen opgevoed tussen fysiek en mentaal gehandicapte kinderen.
In 1976 behaalt ze het getuigschrift van de BUSO-afdeling familiale hulp.

Vanaf haar 21 werd ze overgeplaatst naar een opvangtehuis voor (licht-mentaal gehandicapte) werkende jonge vrouwen.

Toen ze haar huidige man leerde kennen kreeg ze pas toestemming om met hem te trouwen (op 28-jarige leeftijd) als ze een sterilisatie (1985) wou ondergaan. Deze negatieve ervaring heeft een diepe indruk op haar nagelaten. Betrokkene lijdt onder een aantal medische klachten (obesitas, allergie, trombonale flebitis van voeten tot heup, rugproblemen, migraine, artrose in handen en hals). Ze kreeg van de VDAB een BWO 35 % toegekend.

Ondanks veelvuldige sollicitaties en vrijwilligerswerk bleef tewerkstelling voor Ingrid zo'n vijftien jaar achterwege. Ze was na de sterilisatie op korte tijd van haar al jaren min of meer constante gewicht ( 75 kg voor ong. 1m85) geëvolueerd naar 150 kg met alle opgesomde medische klachten vandien. Ze moest het al die jaren stellen met een kleine invaliditeitsuitkering van gemiddeld zo'n driehonderd euro per maand.

Een psychodiagnostisch verslag van de Christelijke Mutualiteit van 24 september 1997 leert ons verder: " Betrokkene is een normaal begaafde vrouw . Haar niveau van opleiding komt echter niet overeen met haar mogelijkheden, wat te wijten is aan het sociaal zwakke milieu. Wat schoolse vorderingen betreft, uit dit zich vooral in een gebrekkige beheersing van de kernleerstof voor rekenen. Haar lees- en schrijfvaardigheid bevinden zich wel op een aanvaardbaar niveau. De totaalscore op de intelligentietest situeert zich net boven het gemiddelde voor de normgroep Vlaamse vrouwen van 35-40 jaar. Bij het uitvoeren van fijnmotorische taken ligt haar tempo beduidend lager dan bij de referentiegroep."

De sterilisatie werd op 7 januari 1985 door verantwoordelijken van het tehuis afgedwongen onder dreiging dat ze niet zou mogen trouwen, haar vriend niet meer zou mogen zien, en dat ze in een psychiatrische instelling zou geplaatst worden. Op 10 januari moest ze op onderzoek bij de gynaecoloog en op 17 januari werd de ingreep verricht.

In de periode na de sterilisatie (85-86) richtte Ingrid zich (na haar huwelijk op 31 mei 1985) tot het gerecht met de vraag om een pro-deo advocaat om klacht in te stellen. Een advocaat en stafhouder aan de balie in Turnhout, antwoordde haar toen : "Daar begin ik niet aan, het is een op voorhand verloren zaak."

Later consulteerde Ingrid nog advocaten via het JAC en na haar contactname met Jan Vanhaelen (vzw Sarah, geestelijke gezondheid) raadpleegde ze in de jaren 94-95 nogmaals meerdere advocaten. De meesten deinsden terug voor de complexiteit van de zaak en maakten haar wijs dat de zaak verjaard was.

In 1996 diende Ingrid klacht in bij de Orde van Geneesheren , maar werd op een ongelooflijk schrijnende en verwerpelijke manier met een kluitje in het riet gestuurd. Ze maakten er een spelletje van en namen duidelijk de arts in bescherming.

In 1997 schreef Jan Vanhaelen haar getuigenis neer in een boek 'Boontje' . Dit verwekte grote deining in de media. Het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek (thans 'medische ethiek') antwoordde aan de toenmalige Minister van Gezondheidszaken dat de verplichte sterilisatie van mentaal gehandicapten door een administratieve of algemene regel 'nooit toelaatbaar' is en dat een multidisciplinair team advies moest geven aan de arts die zo een gehandicapte wil steriliseren.

Sindsdien werd zowel in de instellingen als bij de overheid werk gemaakt van een betere benadering van deze problematiek. Ook in de verschillende wetsontwerpen en wetsvoorstellen over de patiëntenrechten is de invloed van ons werk op dit domein duidelijk voelbaar en zou voor het eerst ook rond sterilisatie van wilsonbekwame en rechtsonbekwame personen iets op wettelijk vlak vastgelegd worden.

In 1998 legde Ingrid klacht neer met burgerlijke partijstelling voor de schade die haar door de gedwongen sterilisatie betrokkend werd, tegen de gynaecoloog en het tehuis. De gynaecoloog had als raadsman dezelfde stafhouder die Ingrid vroeger had afgewezen. De rechter in eerste aanleg veroordeelde Ingrid, na de 4,5 jaar aanslepende zaak, op 12 december 2002, tot het betalen van een schadevergoeding van 3 718 euro aan de gynaecoloog (plus de kosten) wegens. "het in opspraak brengen van diens reputatie, kennelijk zonder enige hoop op succes" (sic) De zaak bleek niet verjaard, maar de stafhouder, verdediger van de gynaecoloog dicteerde het vonnis aan de rechter, die het letterlijk (tot op de eurocent trouwens) overnam.

Omdat iemand, die 15 jaar lang amper 12 000 BEF per maand inkomen had, om in beroep te gaan al gauw een half miljoen BEF moest ter beschikking hebben, met het risico op nog grotere schade (gezien de mogelijke rechtsgang in België. ons kent ons.) moest Ingrid van verder beroep afzien. De tegenpartij stelde zelfs voor de verkregen schadevergoeding voor de gynaecoloog die Ingrid moest betalen, te laten vallen, als ze niet in beroep zou gaan. Het was een wijs besluit de zaak stop te zetten en andere wegen dan de doodlopende weg van het gerecht te gaan bewandelen .

Daarom wendt Ingrid zich thans tot de media. Ze legt zich tegen haar zin en noodgedwongen neer bij het vonnis van de rechter en wil niet terugkomen op de hele zaak, maar haar en mijn (Jan Vanhaelen, vzw Sarah) grote bekommernis gaat nu bv. uit naar een dreiging waar onze Vlaamse vrouwen en meisjes zich niet van bewust zijn.

In zijn pleidooi (besluiten) wierp de tegenpartij op dat Ingrid niet van 75 naar 150 kg kan gegaan zijn als rechtstreeks gevolg (o.a. hormonaal. Over het psychische wordt niet gerept, dat telt toch niet mee) van de sterilisatie. "Eerder zullen de leef- en eetgewoonten na het verlaten van het home hier determinerend zijn" . Betoog dat door de (slapende) rechter zonder blikken of blozen meegenomen werd en waar niet verder op ingegaan werd. Tijdens de 4,5 jaar dat de zaak duurde werd door de gynaecoloog een schriftvervalst getuigschrift bovengehaald, dat ze eerst gedurende jaren niet meer vonden (er zat namelijk niets in de dossiermap van Ingrids sterilisatie, wat weeral wijst op ofwel onzorgvuldigheid, ofwel opzet).
De rechter stelt daarmee eigenlijk dat Ingrid van gebakjes eten snor- en baardgroei heeft ontwikkeld (foto's beschikbaar). We willen graag geloven in onze rechtsstaat en in de uitspraken van rechters. Maar dan willen wij ook onze bevolking waarschuwen : "Opgelet want van gebakjes eten krijgen Vlaamse vrouwen snor en baard!" En "Wie meer geld bezit, heeft meestal meer (ge)recht in België!"

Jan Vanhaelen en Ingrid
Dilbeek, Turnhout, 29 november 2003